Mijn nieuwste boek (Uit het schuim van de zee, 2011) behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen (408 pag.) en 18 originele tekeningen. Het is nu reeds aan zijn derde druk toe. Het boek is te bestellen via mail (kvansteenbrugge@gmail.com). Betaling na ontvangst (18,95 euro). Bij bestellingen vóór 1 mei dienen geen verzendkosten betaald te worden.
FLAUW EN PUBERAAL, MAAR GOED BEDOELD: dit soort verhaaltjes vindt u bij de vleet ('n 200-tal) op www.bloggen.be/kris .......... PICTAIKU'S (de allernieuwste kunstvorm) vindt u op www.bloggen.be/pictaiku
We waren zestig jaar sâam. Zie maar hoe gelukkig we toen waren. Ik schreef toen in mijn dagboek:
Maar moe niet glô, al word ons oud,
Ons hart kan nooit verander;
Ons liefde is nog lang nie koud,
Ons staan nog bij mekander.
Het waren verzen uit een oud Afrikaans studentenlied (tekst C.F.Visser, muziek E.Hullebroeck) dat ik talloze keren heb gezongen in de jaren dat ik jou nog niet kende, en dat nog steeds in mijn geheugen gebeiteld staat. We dachten dat wij ons geluk te danken hadden aan een alwetende, almachtige en oneindig barmhartige god...
... maar toen werd jij ziek. Na een ondraaglijke lijdensweg die anderhalf jaar geduurd heeft ben jij voorgoed van mij heengegaan. Ik heb die god toen verloochend, maar jij bent - ten ware ik mij vergis - in hem blijven geloven. En misschien bestaat hij voor jou dan nog wél en zit jij nu aan zijn rechterhand. Vraag hem de toelating om mij een mailtje te sturen. Ik wil zo gaarne nog iets van jou vernemen, mijn verdriet is zo groot, ik ben zo eenzaam zonder jou...
Wat prijs ik mij gelukkig om op loopafstand te wonen van de Statiestraat, zij het dat ik wel gebruik maak van mijn Skodaatje voor een bezoek aan de bakker, mijn grootwarenhuis(je) Okay, mijn postpunt, mijn krantenwinkel, mijn carwash, mijn apotheker, mijn pompstation en mijn treinstation, die alle gevestigd zijn in de Statiestraat. Op 6 februari heb ik mijn wagentje voor 't eerst in dit gezegend jaar 2026 ingespannen voor een afstand van meer dan twee kilometer: een bezoekje aan mijn van een operatie herstellende schoonbroer, een tocht van zo maar eventjes twaalf kilometer, waarvan een mooi stukje buiten het slingerweggetje naar de Statiestraat. Op de brede weg tussen Kerkhove en Avelgem was er nauwelijks verkeer en u raadt het al: mijn Skodaatje en ik die al een hele tijd er naar snakten om de teugels eens te laten vieren... En dan is het snelheidsduiveltje in mij losgekomen: tegen zestig kilometer per uur vlogen wij richting Avelgem!
Vandaag is de "pro justitia" er gekomen: waar zestig gereden werd mocht maar vijftig! "Eigen schuld, dikke bult" zouden ze in Holland zeggen. Maar laten we eerlijk zijn: 63,67 euro is in feite een belachelijk lage boete voor zo'n dollemansrit. En laten we blij zijn dat justitia er is voor iedereen, dat is zowel voor de rijders met een Skodaatje als voor de zware BMW-ers, zowel voor de rijders met een groot pensioen als voor de rijders met een klein pensioentje. En, rijders met een klein pensioentje, laat het voortaan een les wezen: rij voor alle zekerheid niet meer dan vijfenveertig per uur, want vijftig rijden is dansen op een smalle koord.
P.S. Zopas verneem ik dat Remco de tijdrit in Abu Dahbi gewonnen heeft met een gemiddelde snelheid van zesenvijftig kilometer per uur. Gelukkig zal hij de boete niet zelf hoeven te betalen, dat doet de sponsor wel...
Dit weekend stond mijn landelijke gemeente weer in het teken van de edelste onder alle denksporten: schaken. Er was het jaarlijks schaaktoenooi in de gemeentelijke feestzaal. Drie jaar geleden heb ik aan dat toernooi deelgenomen, zij het met geen al te groot succes. Ik herinner mij dat ik toen, na het beëindigen van mijn laatste partij - er waren er in totaal zes - in een "gemoedelijk" gesprek was geraakt met de burgemeester van de gemeente, tot het gesprek afgebroken werd omdat aan de burgemeester gevraagd werd de namen van de prijswinnaars af te roepen en tegelijkertijd de prijs te overhandigen. Toen hij mijn naam afriep speurde hij de zaal af naar wie Kris Vansteenbrugge wel mocht wezen: ik stond nog steeds naast hem en sommige aanwezigen dachten dat hij een grapje maakte. Achteraf zei de burgervader mij verontschuldigend dat hij slecht was in het onthouden van namen en hij tracteerde mij op een biertje. En nu was hij er weer, zoals het een goede bestuurder betaamt. Hij herinnerde zich het "incident" nog nauwelijks. Er waren zesendertig deelnemers. Met mijn vijfentachtig lentes was ik veruit de oudste van de bende: vijfentachtig jaar en nog steeds niet in de greep van de dementie... Elke deelnemer diende zes partijen te spelen en de totale tijd was vier uren: "semi-snelschaken" dus...
Mijn eerste tegenstander was een ernstige jongeman. Met een kwinkslag trachtte ik bij hem een glimlach te ontlokken. Het lukte nauwelijks. Ik had al gauw in de gaten dat deze tegenstander een haalbare kaart was. Ik slaagde erin hem serieus in het verweer te dringen: met zijn zwarte Koning op B8 en mijn Toren op A1 met de vrije loop naar het vak A8 dat beschermd stond door een van mijn beide Lopers terwijl mijn andere loper de enige uitwijkmogelijkheid van de zwarte Koning belemmerde. Ik plaatste mijn Toren met een triomferende armzwaai op A8. De zwarte Koning stond mat. Tenminste... dat dacht ik, en dat moet ook mijn tegenstander gedacht hebben, want hij stond op van zijn stoel en reikte mij de hand ten teken dat hij mij feliciteerde met mijn overwinning. Tot er plots een toeschouwer opdook die beweerde dat er helemaal geen sprake was van "mat", dat de zwarte Koning gewoon de witte Toren had kunnen slaan! En warempel, nu bleek het vak A8 plots niet meer op de diagonaal van mijn Loper te liggen. Mijn tegenstander ging weer zitten, deed alsof er niets bijzonders gebeurd was en sloeg mijn Toren... Het vervolg laat zich raden: met een Toren achterstand was ik nu een vogel voor de kat. Iemand van de jury kwam mij achteraf zeggen dat ik de overwinning mocht opeisen want dat de tegenstander door mij de hand te schudden in feite de partij had opgegeven. Maar wat zóu ik? Het zou alleen maar voor narigheid gezorgd hebben...
Mijn tweede tegenstander was precies zesenzeventig jaar jonger dan ik. Een jongetje van negen jaar! De oudste tegen de jongste. Dat moest voor mij alleszins een haalbare kaart zijn. Hoezeer heb ik mij vergist!... Ik vroeg wat zijn naam was. Vinke, zei het jongetje. Ik bedoelde je voornaam, zei ik. Vinke, zei het jongetje, mijn achternaam is Derijke. Er waren geen tien zetten gedaan of het was al duidelijk dat het voor mij een serieuze afgang zou worden. Hoezeer ik mijn hersens ook pijnigde, na elke "weldoordachte" zet van mijnentwege volgde prompt een snelle tegenzet van die gewiekste vinke, die mij telkens weer met mijn neus op het feit drukte dat ik te doen had met een schaakwondertje, een schaakgrootmeester in de dop. De stand was twee-nul in mijn nadeel. Ik verlangde naar een "gemakkelijke" tegenstander.
En die kwam er. Mijn derde partij was weer tegen een jonge knaap, zij het iets ouder dan de vorige; twaalf jaar schat ik hem. Opvallend veel jonge deelnemers waren er dit jaar, er bleek een jongerenschaakclub uit Oudenaarde neergestreken te zijn. Mijn derde tegenstrever bleek gelukkiglijk uit zachter hout gesneden te zijn dan Vinke. Ik won gemakkelijk.
Ik ken u, zei de man die mijn volgende tegenstander zou worden, ik heb nog les gekregen van u: anatomie. Hij kwam mij niet bekend voor en ook zijn naam deed geen belletje bij mij rinkelen. Ik heb inderdaad gedurende zeventien jaar lang les gegeven aan studenten in de kinesitherapie, in de anatomie van het bewegingsstelsel, zijnde het beendergestel, de spieren en de gewrichten van het menselijk lichaam. Deze man had het beroep van kinesist uitgeoefend, op zelfstandige basis zoals dat heet. Hád (!), want hij was reeds met pensioen. Jezus, hoe razend snel holt de tijd met ons heen, naar het einde... Oud-leerlingen die met pensioen zijn... De partij ging gelijk op, al voelde ik mij van in het begin lichtelijk de meerdere. Ik won en ik was blij met die overwinning. Een nederlaag tegen een oud-leerling zou allicht een enigszins wrange nasmaak met zich meegebracht hebben...
Partij nummer vijf was tegen een mijnheer Derijke. Precies, de vader van Vinke. Ik vroeg of hij al even goed kon schaken als zijn zoontje, of misschien nog wel beter. Hij zei dat hij het meestal moest afleggen tegen Vinke, maar dat hij toch nooit helemaal kansloos was tegen hem. Nooit helemaal kansloos, daarmee wist ik genoeg: het zou weer een nederlaag worden! En dat werd het ook. De stand was nu twee overwinningen tegen drie nederlagen. Met een overwinning in mijn zesde en laatste partij kon ik nog eervol uit de slag komen.
Maar die overwinning kwam er niet. Die laatste partij was er blijkbaar teveel aan. Ik was te vermoeid, ten prooi aan een soort schaakblindheid. Ik had niet in de gaten dat een vijandelijk paard dreigde met een zet waarmee mijn Koningin aangevallen stond en mijn Koning tegelijk scháák! Zonder de Koningin was het opboksen tegen de bierkaai. Een partij die ik in frisse omstandigheden niet had mogen verliezen. Al moet ik er eerlijkheishalve aan toevoegen dat mijn laatste tegenstander ook niet meer van de jongste was, namelijk tachtig, wellicht de oudste van de bende. Ná mij wel te verstaan.
(hoofdstuk 51 uit het boek "De Griekse mythologie in 136 verhalen") Eén van de Argonauten was Orpheus, de zanger. Zijnvader was Oiagros, een koning uit Thracië, maar sommigen beweren dat de god Apollo de vader was. Zijn moeder was Kalliope, één van de negen Muzen. De Muzen waren de godinnen van de kunsten en de wetenschappen. Ze waren de dochters van de titanes Mnemosyneen van de oppergod Zeus. Ze waren volgelingen van Apollo en hadden hun verblijfplaatsen in de buurt van het Parnassos- en Helikongebergte. Orpheus was een buitengewoon begaafd dichter en musicus. Van Apollo zelf had hij een lier gekregen, waaruit hij hemelse muziek toverde en waarmee hij zijn gezangenbegeleidde. Hij bracht mensen en dieren en zelfs de planten, kortom de hele natuur, in vervoering door zijn kunst. Ook de goden kon hij ontroeren. Orpheus is vooral bekend door zijn dramatisch liefdesverhaal met Eurydike, een Najade ofte waternimf. Orpheus aanbad Eurydike. De liefde was grenzeloos. Op het huwelijksfeest deed zich echter een tragisch incident voor. Argeloos wandelde Eurydike blootsvoets door het jonge gras, toen zij plots in de voet gebeten werd door een giftigeslang, een adder. Op haar geroep kwam Orpheus aangerend. Net op tijd om zijn geliefde in zijn armen te zien sterven… Onuitsprekelijk was zijn verdriet. Bloedstollende klaagliederen bracht hij ten gehore, en allen luisterden mee ende hele natuur werd in diepe rouw gedompeld. De gedachteom verder te moeten leven zonder zijn beminde was ondraaglijk. Toen nam hij zich voor iets te ondernemen wat nog nooit iemand vóór hem had gedaan: haar terughalen uit het dodenrijk. Op zijn tocht daarheen speelde hij zo aandoenlijk op zijn lier, dat niemand hem iets in de weg durfde leggen. Ook Charon niet, de veerman, die de doden over de dodenrivier naar de onderwereld bracht en anders nooit levenden overzette. Zelfs Kerberos de hond met de drie koppen, die de hellepoort bewaakte, werd vertederd door Orpheus’ gezang en bood geen weerstand. En ook de schimmen van de doden werden ontroerd en ze kwamen in dichte drommennaderbij en luisterden, ademloos. Tot bij de troon van Hades en Persephone drong Orpheus door. Ook het godenpaar van de onderwereld raakte in de ban van zijn gezang. Op aandringen vanzijn gade liet Hades zich overhalen om Eurydike te laten weerkeren naar de aarde. Eén voorwaarde werd gesteld: zij diende op haar tocht haar man te volgen en deze mocht in geen geval naar haar omzien vóór ze het rijk van de levenden zouden bereikt hebben. Zoniet, dan was Eurydike onverbiddelijk en voor altijd voor hem verloren. Lang was de terugweg die ze moesten gaan, langs donkere,soms smalle en steile paden. Orpheus liep voorop. Hij hoorde de voetstappen van zijn geliefde achter hem, hij hoorde haar ademhaling en voelde zelfs haar adem in zijn hals, en dat stelde hem gerust. Doch plots leken die geruststellende geluiden verdwenen. Volgde zij hem niet meer? De angst deed Orpheus de waarschuwing van Hades vergeten en… hij keek om. Eurydike volgde hem nog steeds op de voet. Nog voor even, want haar gestalte vervaagde en als een schim gleed ze van hem weg, weer in de richting van het dodenrijk. Ze stak nog evende hand naar hem uit en ze fluisterde: “vaarwel mijn liefste”. Radeloos rende Orpheus terug naar de hellepoort, maar de hellehond liet ditmaal zijn tanden zien en was onvermurwbaar. Zeven dagen lang bleef de gebroken man zitten op de oevers van de Styx, zonder eten of drinken. Hij richtte smekende gezangen tot de goden en uiteindelijk ook verwensingen aan hun adres. Alles tevergeefs. Daarna zwierf hij door verscheidene landen, het gezelschap van andere mensen mijdend, vooral van vrouwen. Nimmer meer stelde hij zijn hart open voor een andere liefde. Daarom werd hij gehaat door de nimfen en door de Maenaden. Jaren later was het dat hij de Argonauten vergezelde op hun tocht: door zijn muziek en zijn wijze raad heeft hij zeker bijgedragen tot het welslagen van de onderneming. Na de tocht trok hij zich terug in Thracië. Daar troffen de vrouwelijke volgelingen van Dionysos hem aan, zittend aan de oever van een rivier en tokkelend op zijn lier. De uitzinnige vrouwen wierpen zich op de gehate man en scheurden zijn lichaam in stukken vaneen. Zijn hoofd werd samen met de lier in de rivier geworpen. Het kwam zodoende in de zee terecht en het bereikte het eiland Lesbos, alwaar het werd begraven. Zijn ziel ging naar de Hades bij zijn geliefde Eurydike. Hun zielen waren nu voor immer verenigd.
Het staat mij nog zo helder voor de geest, hoe ik twintig jaar geleden, in 't jaar 2005, de deur van mijn dokterskabinet in het hospitaal achter mij dichttrok. Voor de laatste keer. Nooit zou ik het nog betreden. Adieu aan dat vertrouwd medisch materieel dat ik vierendertig jaar lang het mijne had mogen noemen, ofschoon het in feite eigendom was van het ziekenhuis. Nu zou een ander er mee werken. Ik had mijn vrouw meegenomen ten einde dat afscheid op foto vast te leggen. Eén van die gebeurtenissen die inhakken in het leven van een mens. En toch... ik heb toen geen traan gelaten, als ik mij dat tenminste goed herinner, mijn emotie was niet torenhoog. Dat heeft wellicht te maken met het feit dat ik dat beroep niet echt met hart en ziel heb uitgeoefend ofschoon ik het naar mijn gevoel naar behoren heb gedaan en plichtbewust.
Mijn vrouw en ik hebben ons daarna teruggetrokkrn en twintig jaar lang gelukkig geleefd. Tot er vorig jaar, met haar heengaan een abrupt eind is gekomen aan dat geluk. 't Was in de maand mei, als de lente komt...
Er is een spreekwoord dat zegt: een ongeluk komt nooit alleen. In de maand augustus, als de zon de harten verblijdt, werd onze mooie uithoek van de Vlaamse Ardennen uit zijn gewone doen gerukt: Vlaanderens mooiste loopkoers "Dwars door Grijsloke" bestond niet meer. Mijn geesteskind! En toch, het leek mij minder te beroeren dan ik verwacht had, als dit ooit te gebeuren stond. Het leek wel of ik immuun geworden was voor dit soort zielepijn...
En alsof dit alles niet genoeg was en alsof het spreekwoord steevast zijn gelijk opeist - geen twee zonder drie - haastte Brigitte Bardot zich om nog vóór het einde van dit rampjaar, op 28 december, van dit aards tranendal te verdwijnen. Ook dat heengaan liet mijn versteend hart vrij onbewogen. En hoezeer heb ik nochtans niet met haar gedweept in mijn studententijd! Vijf jaar lang heeft op mijn studententenkamer een bijna levensgrote poster gehangen van B.B., het mooiste kunstwerk dat de Schepper ooit heeft voortgebracht: ze maakte me blij, ze was mijn toevlucht in bange dagen. Ze was begiftigd met alle gaven Gods, enkel de onsterfelijkheid heeft de Almachtige haar nooit kunnen schenken, al zal hij dat ongetwijfeld wel gewild hebben. Een jaar of twintig was ze toen ze de wereld veroverde met de film "Et dieu créa la femme". In vijftig films moet zij gespeeld hebben en met allicht evenveel mannen heeft zij een liefdesrelatie gehad: de Aphrodite van het witte doek! Ze hield niet alleen van de mannen, maar evenzeer hield ze van de dieren. Haar uitgesproken dierenliefde is overigens de aanleiding geweest tot het abrupt beëindigen van haar filmcarrière. In haar laatste film werd een rol gespeeld door een geitje. Het beestje was ingehuurd en de eigenaar maande de makers van de film aan spoed te zetten achter de opnames want de plechtige communie van de zoon kwam er aan en dan moest het lieve diertje aan het spit. Brigitte betaalde een mooie som losgeld voor het geitje en besloot op staande voet haar verdere leven nog uitsluitend te wijden aan het welzijn van de dieren. Ze nam meteen afscheid van haar wilde jeugd: "j'ai donné ma jeunesse et ma beauté aux hommes, maintenant je donne mon expérience et ma sagesse aux animaux".
De poster van B.B. is jammer genoeg verloren gegaan.
Op tweede nieuwjaarsdag zat ik achter mijn bureau en ik schreef haar naam in mooie letters op ruitjespapier - Bardot - en mijn gedachten gingen uit naar Margootje, het buurmeisje uit mijn vorig verhaaltje. En, alsof de hemel ermee gemoeid was, daar stond ze plots, aan mijn deur, zoals in het liedje van Wim Sonneveld, op tekst van M.G. Schmidt, "Margootje". Ik kom je een gelukkig nieuwjaar wensen, zei ze, en je uitnodigen op de koffie en ik zal je leren kunstwerkjes maken in glas, te beginnen met een bloemetje voor op het graf van je vrouw, een "zonnevangertje" dat zal je helpen om je verdriet te verwerken.
Mijn eerste work-shop in vitrailkunst heb ik nu achter de rug. Maar voor ik het vak een beetje onder de knie heb zullen er nog meerdere lessen moeten volgen ten huize van Margot. En onder de naam van B.B. schrijf ik nu háár naam - Margot - en het valt mij op hoe opvallend ik die namen in elkaar kan laten overgaan op dit ruitjespapier...
En nu zit ik weer in mijmeringen verzonken. Hier ligt ook mijn laatste boek: Mijmerarij. Het boek is opgedragen aan mijn geliefde en op de cover prijkt het Kasteelke waar ik haar drieënzestig jaar geleden heb leren kennen.
Mag ik geloven dat er voor mij toch nog geluk is weggelegd in dit nieuwe jaar? En als dat geloof er niet is, dan is er misschien nog de hoop, het weze dan hoop tegen beter weten in...
... hoop dat enkele dapperen het in hun hoofd zullen halen om "Dwars door Grijsloke" weer op te richten en het de glans van weleer terug te schenken;
... hoop dat de poster die eens mijn studentenkamer gesierd heeft, ooit nog teruggevonden wordt, het weze door de speurders naar "De rechtvaardige Rechters";
... hoop dat ik weer in een god kan geloven, in een alwetende, almachtige en oneindig barmhartige god. Hij zal zich moeten verantwoorden voor al het lijden dat mijn lieve vrouw op het haar weg naar het hiernamaals doorstaan heeft en waarvoor hij de ogen heeft gesloten en hij zal mij moeten beloven dat hij iedere dag een straaltje zal sturen naar het zonnevangertje langswaar zij mij zal toefluisteren: "ik hou nog altijd zielsveel van jou". Dan zal ik hem wellicht vergiffenis schenken en misschien zal ik dan ook weer toetreden tot de club.
Bij toeval vind ik de nieuwjaarsboodschap die ik zes jaar geleden bij de start van het nieuwe jaar de wereld heb ingestuurd. Ik druk het hier nog één keer af
Een voorspoedig jaar zou 'k willen wensen
aan jou en al mijn medemensen
ofschoon het valt te vrezen
dat die wensen weer eens ijdel zullen wezen.
'k Geef dáárom slechts mijn zegen
en dingen om te overwegen:
(gevolgd door een twaalfregelig vers)
Laten we blij zijn dat we leven
en nog liefde kunnen geven,
dat we nog kunnen denken
en vertrouwen kunnen schenken.
En er is nog de muziek en de teevee
en de boeken van Claes en van Durnez,
er is nog facebook en internet
en altijd nog de warmte van een bed.
En er zijn honderd and're dingen
om het uit te zingen
onze grieven te vergeten en blij te zijn
... en te hopen op een goed vaksijn.
Het was een beetje in mineur, hoewel het twaalfregelig vers nog blijk gaf van een zekere "jeugdige overmoed". Bij de laatste overgang van oud naar nieuw heb ik mijn vrouwtje innig gekust zonder haar een gelukkig jaar te wensen. Ze zou mij meewarig aangekeken hebben: ze had nog amper een paar maanden te leven... Het twaalfregelig vers ziet er nu uit als volgt;
Brief aan mijn vriend en confrater, Marc Van Hoye,
Mijn beste Marc,
We schrijven 18 december. Het rampzalig jaar 2025 loopt op zijn laatste benen. Een week geleden, op 11 december kreeg mijn hart weer een grondig nazicht. Was geleden van nieuwjaarsdag. Hoe slecht kan een jaar beginnen: ik werd toen met spoed opgenomen in mijn vertrouwd ziekenhuis wegens een zware aanval van draaiduizeligheid en evenwichtsstoornis. Grondige neurologische en cardiologische onderzoeken bleken mee te vallen, wat betekent dat de oorzaak niet in de hersenen en ook niet in het hart diende gezocht te worden. Een allerminst levensbedreigende stoornis was het, van het evenwichtsorgaan dat zich bevindt in het rotsbeen achter het oor, een aandoening waarvan men normaal spontaan herstelt binnen een paar weken en die geen restletsels nalaat. En zo is ook geschied... De hartspecialist die mij had onderzocht vond evenwel een controle over zes maanden ten zeerste aangewezen vanwege het feit dat ik lijder ben aan voorkamerfibrillatie in combinatie met een atrioventriculair block plus een verminderderde doorbloeding van de kroonslagaders met daarenboven lekkage van één of meerderer hartkleppen. Heb ik u overigens al verteld dat de twaalkoppige cardiologische equipe van datzelfde ziekenhuis mij twintig jaar geleden reeds een by-pass operatie + pacemaker had voorgesteld, waarop ik weliswaar niet ben ingegaan en desondanks toch reeds een tamelijk gezegende leeftijd heb bereikt? Het hartonderzoek van de vorige week bleek dus in feite nogal een meevaller te zijn en er was nog allerminst sprake van by-pass of pacemaker. Alhoewel, een "meevaller" is hier wel een term die dient gerelativeerd te worden. De dokter had gezegd: een meevaller, jawel, gezien uw leeftijd. En voor een hartcontrole over zes maanden kon maar beter meteen een afspraak gemaakt worden. Het werd 7 juli....
Op 6 juli belde ik het ziekenhuis op. Of mijn afspraak bij de cardioloog wel kon doorgaan. Er was namelijk een doktersstaking afgekondigd op 7 juli. Mijn cardioloog bleek inderdaad te staken, mijn afspraak diende geannuleerd te worden en een nieuwe afspraak diende gemaakt. Het werd dus 11 december, eerder kon niet vanwege het feit dat de afspraakboek overvol zat. Overlopen naar een van die twaalf andere cardiologen had geen zin want ook bij hen zat de afspraakboek overvol. Het moge duidelijk wezen dat er in ons land een schromelijk tekort is aan doktoren, en dan te bedenken dat men er in ons land alles aan doet om de toegang tot de geneeskundige studies af te remmen door allerlei toegangsexamens! Hoe dan ook, de controle van mijn hart was nu blijkbaar niet meer zo dringend. Wat kon het mij ook schelen. Ik vroeg niets beters dan dat het plots zou ophouden met kloppen, midden in de nacht, in mijn slaap, net zoals mijn nonkel Fonske was overkomen. Het leven had voor mij geen zin meer sedert de dag dat mijn lieve vrouw voor altijd was heengegaan, na een lijdensweg die anderhalf jaar had geduurd en gedurende dewelke de geneeskunde alle zeilen had bijgezet: operaties, chemotherapie, röntgenbestralingen, sondevoeding via gastrostomie, zuurstoftherapie, beademing, palliatieve pijnbestrijding/euthanasie. Ik was er van overtuigd dat ik vanaf die dag - 10 mei om 17 uur stipt - nooit meer gelukkig zou zijn. De pijn van het afscheid leek ondraaglijk en ik had willen bidden tot de alwetende, almachtige en oneindig goede god dat hij mij zo snel mogelijk zou verlossen uit dit tranendal. Maar ik deed het niet. Hij zou mijn gebed niet verhoord hebben. Nonkel Fonske was zwaar verslaafd aan de alkohol (één bak bier en één fles jenever per dag) en die sukkelaar zal zeker een voetje vóór gehad hebben bij de almachtige.
Vorige week 11 december. 't Was meer dan zeven maand geleden, mijn beste Marc, dat ik nog een voet in het ziekenhuis had gezet, het ziekenhuis waar ikzelf vierendertig jaar lang als arts had gewerkt en waar ik het laatste anderhalf jaar zovele dagen had doorgebracht aan het ziekbed van mijn vrouw, ik gruwde er nu van. De cardioloog onderzocht mij naar behoren en zei dat alles nogal meeviel - voor uw leeftijd, voegde hij er voor alle securiteit nog aan toe. Controle gewenst over een jaar, afspraak te maken over zes maanden want de wachttijden zijn lang. Het laat mij allemaal onverschillig, ik denk dat ik dit ziekenhuis niet meer ga betreden. Ik ben niet meer bang voor de dood. Ik wil "haar" weerzien in de hemel. De hemel? Onzin! De hemel, dat was hier toen zij nog leefde, toen wij samen waren. De hel, dat is het stukje leven dat er voor mij nog is weggelegd, daar moet ik nog door, en dan... niets meer.
Ik groet je, mijn beste Marc, en breng mijn groet ook over aan Eliane en geef haar een kus.
Mijn nieuwste boek (Uit het schuim van de zee, 2011) behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen (408 pag.) en 18 originele tekeningen. Het is nu reeds aan zijn derde druk toe. Het boek is te bestellen via mail (kvansteenbrugge@gmail.com). Betaling na ontvangst (18,95 euro). Bij bestellingen vóór 1 mei dienen geen verzendkosten betaald te worden.