Mijn nieuwste boek (Uit het schuim van de zee, 2011) behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen (408 pag.) en 18 originele tekeningen. Het is nu reeds aan zijn derde druk toe. Het boek is te bestellen via mail (kvansteenbrugge@gmail.com). Betaling na ontvangst (18,95 euro). Bij bestellingen vóór 1 mei dienen geen verzendkosten betaald te worden.
FLAUW EN PUBERAAL, MAAR GOED BEDOELD: dit soort verhaaltjes vindt u bij de vleet ('n 200-tal) op www.bloggen.be/kris .......... PICTAIKU'S (de allernieuwste kunstvorm) vindt u op www.bloggen.be/pictaiku
23-10-2026
Wishfull thinking
Hoera, duizendwerf hoera! De tien miljard waar de premier van Belgenland al maanden naar op zoek is, zijn eindelijk gevonden. Het land zat al geruime tijd in zak en as omdat die tien miljard die vereist waren om 's lands begroting in orde te brengen maar niet gevonden werden. En plots - 't mag een wonder heten - zijn ze dan toch gevonden, door de premier himself: ze lagen daar, in een berm naast de autostrade. Tot de laatste cent heeft de premier die miljarden overgemaakt aan de staatskas van het land dat hem zo nauw aan het hart ligt, België. En daarmee is het land dus gered!
Een zucht van verlichting trekt door alle gelederen:
- de subsidietrekkers en de pensioentrekkers (van de kleine zelfstandigenpensioentjes tot de grote ambtenarenpensioenen);
- de al of niet langdurige werklozensteuntrekkers;
- de genieters van kinderbijslag die nu weer onbezorgd kunnen verder werken aan de wereldoverbevolking, mede doordat de kosten van het kinderdagverlijf en het schoolgeld niet zullen verhoogd worden;
- de sterkste schouders die al bang waren dat zij de zwaarste lasten zouden moeten dragen;
- de rusthuisbewoners die so wie so al niet rond komen;
- de bezitters van geld en goederen vanwege de meerwaardebelasting die er nu niet hoeft te komen en de ontroerende voorheffing en de erfbelasting die niet hoeven verhoogd te worden;
- wie nood heeft aan medische zorgen vanwege het remgeld dat niet zal hoeven verhoogd te worden;
... en ik vergeet er nog, en... welke Belg is er niet blij dat er nu ook niet zal gemorreld worden aan de index waardoor ons aller koopkracht behouden blijft en - wie zal het zeggen? - het gevaar nu wel definitief geweken is dat ons mooi Belgenland in stukken uiteenvalt. En dat alles dank zij één man, onze premier, die zo onverdroten is blijven zoeken naar de zo broodnodige tien miljard tot hij ze uiteindelijk gevonden en integraal aan zijn land geschonken heeft. Eerlijke vinder! Was ik in zijn plaats geweest ik had er, denk ik, een miljardje van voor mezelf gehouden. Tien procent vindersloon, niet eens overdreven vind ik. En denk nu maar niet, lieve lezer dat ik geen oplossing zou gevonden hebben voor dat miljard dat de staatskas nu te kort zou komen. Het idee is bij mij gerijpt toen ik vorige week in mijn brievenbus een vriendelijke uitnoding vond tot het betalen van een verkeersboete ten bedrage van achtenzestig euro en zevenenzestig cent vanwege roekeloos rijgedrag: één kilometer per uur te snel gereden bij een trajectcontrole. En ziehier... We voeren een maximumsnelheid van 50 km/uur in op alle wegen - 60 op autosnelwegen - zonder tolerantiemarge en met maximale pakkans en honderd euro per overtreding. Wedden dat we dat miljard in één jaar binnenhalen en dat met slechts één overtreding per gemiddelde Belg!...
professor dr. C. Heymans, Nobelprijs voor geneeskunde 1938
Het is al een poos geleden - zo'n slordige zeventig jaar - dat ik drie jaar lang twee keer per week, zwaar bepakt, door de Euphrosina Beernaertstraat zeulde, tussen het station van Oostende naar de kostschool van het Koninklijk Atheneum. Ik heb mij toen geen enkele keer afgevraagd wie die Euphrosina wel kon geweest zijn. Pas een jaar of tien - misschien wel twintig - jaar later ben ik er achter gekomen dat zij een belangrijke Oostendse kunstenares is geweest en dat zij de zuster was van ene wellicht nog belangrijker Beernaert, Auguste, die - schrik niet - de eerste Belgische, en dus ook Vlaamse Nobelprijswinnaar is geweest: 1909, Nobelprijs voor de Vrede. Ik moet u nu wel bekennen, beste lezer, dat ik van de Nobelprijs voor de Vrede nooit zo'n hoge pet heb opgehad, maar toch... een Oostendenaar, een Vlaming! Nou ja... Hij wordt gedefinieerd als een "franstalige Belgische politicus, geboren in Oostende in 1829 en overleden in Luzern in 1912". Is ook eerste minister geweest. Sta mij toe dat ik van politici ook al geen hoge pet opheb en ... franstalig? Ben je dan nog wel een echte Vlaming? Door chatGPT wordt hij als volgt beschreven: "Auguste Beernaert is geboren in Oostende en was dus geografischeen Vlaming". Komt daarbij dat hij het grootste gedeelte van zijn leven in het Waalse landsgedeelte en in Brussel heeft doorgebracht en dat hij zijn Nobelprijs heeft moeten delen met ene Paul Henri Benjamin Balluet d'Estournelles de Constant, een fransman. Voor mij, al te veel haken en ogen om hem op te nemen in mijn rijtje van Vlaamse Nobelprijswinnaars "pur sang"...
In het jaar 1862 werd in de Peperstraat in Gent Maurice Polydore Marie Bernard Maeterlinck geboren. Hij zou de tweede Belgische Nobelprijswinnaar worden, amper twee jaar na Auguste Beernaert. Een terechte laureaat, wiens werk geprezen werd tot ver in het buitenland. Ofschoon hij Vlaming van geboorte was, heb ik het er in dit geval eveneens moeilijk mee te spreken van een "Vlaamse" Nobelprijswinnaar. Maurice Polydore Marie Bernard schreef immers uitsluitend in het frans, hij verbleef het grootste deel van zijn leven in Frankrijk, heeft twee franse echtgenotes gekend en is gestorven in Nice, alwaar zijn as bewaard wordt in het Palais Maeterlinck, zijn voormalige residentie, gelegen aan de Boulevard Maurice Maeterlinck...
Pas in 1938 viel Vlaanderen weer in de prijzen, met Corneel Heymans: Nobelprijs voor geneeskunde. Ook hij werd geboren in Gent, in 1892, alwaar hij gedurende veertig jaar professor is geweest aan de faculteit geneeskunde van de universiteit (van 1922 tot 28 maart 1962). Hij is overleden in Knokke in 1968 en hij ligt begraven op het kerkhof Campo Santo in Sint-Amandsberg. Ook na zijn dood heeft hij zijn Vlaanderland dus niet verlaten. De Nobelprijs die hem op amper zesenveertigjarige leeftijd is te beurt gevallen was vanwege zijn ontdekking van de chemoreceptoren in het gebied van de aorta en de halsslagader. Een prijs die hij met geen ander heeft moeten delen...
Tot dit jaar, 2026, hebben we moeten wachten - zevenentachtig jaar! - vooraleer weer een Vlaming aan de beurt is gekomen. Een geleerde professor, Francis Halzen, die geboren is in Tienen en het grootste deel van zijn leven heeft doorgebracht in Amerika. Hij woont daar al meer dan vijftig jaar en is er hoogleraar aan de universiteit van Wisconsin, alwaar hij onderzoek heeft gedaan naar mysterieuze elementaire deeltjes die geen electrische lading hebben en ook geen - of nauwelijks - massa en die amper reageren met andere materie. Dat onderzoek heeft geleid tot de zeer prestigieuze Nobelprijs voor natuurkunde dewelke hij met geen ander heeft moeten delen. En wat die mysterieuze deeltjes betreft: ze worden neutrino's genoemd en elke seconde vliegen er miljarden van die deeltjes door ons lichaam zonder een spoor achter te laten...
Vier Vlaamse Nobelprijswinnaars. Alle vier wereldtoppers in hun vakgebied, die hun prijs dubbel en dik verdiend hebben en die in hoge mate mijn bewondering waard zijn. Maar Vlaams? Eén onder hen slechts, durf ik een échte Vlaming te noemen, een Vlaming "pur sang", bij wie aan dat Vlaams zijn "geen hoek af is", één die op Vlaamse grond geboren en getogen is, die er zijn leven lang gewoond en gewerkt heeft en er ook begraven ligt, die er de Vlaamse taal steeds als zijn moedertaal gehanteerd heeft: professor dr. Corneel Heymans. Hij was één van mijn professoren toen ik in het vierde jaar geneeskunde zat aan de Gentse universiteit, en daar ga ik nog steeds prat op. Dat jaar is hij met pensioen gegaan. Ik heb over hem geschreven in mijn memoires (O jerum jerum jerum..., 2006). Bij deze bied ik deze geleerde man, die zovéél betekend heeft voor de geneeskundige wetenschap, mijn verontschuldiging aan voor de oneerbiedige taal die ik toen heb gehanteerd...
Hierbij een uittreksel:
Eén van mijn professoren was totaal onbekwaam tot lesgeven. De man was nochtans heel beroemd want hij had een kwarteeuw tevoren de Nobelprijs in ontvangst mogen nemen. De les was geen vijf minuten oud of "toevallig" kwam een of andere Nobelprijswinnaar ter sprake en even toevallig had onze professor in zijn aktentas dia's over die bewuste Nobelprijswinnaar en diens familie. En vaak stond hij dan zelf ook op het plaatje, als vriend van den huize. Ja, zo gaat dat toch onder collega's Nobelprijswinnaars… En wij leerden veel over de Nobelprijs en over het belang van navorsingswerk in de geneeskunde. Alleen: aan het navorsingswerk zelf kwamen wij niet toe.
Het betreft hier dus professor Heymans. Toch moet ik bij deze een rechtzetting doen. Het ís niet waar dat ik op het gebied van de geneeskunde helemaal niets heb opgestoken van de lessen van Heymans. Over de antihistaminica, toen nog een nieuwsoortige medicatie tegen allergie, leerde hij ons dat men door er verscheidene te mengen - bijvoorbeeld vier, maar dan elk slechts à één vierde van de normale dosis - de bijwerkingen, zijnde in hoofdzaak slaperigheid, kon afzwakken, terwijl de gewenste werking werd versterkt. Ik vond dat een fantasietje van een man die "zijn niveau" bereikt had. Het was te mooi om waar te zijn en ik dacht dat het dan ook niet waar wás. Tot ik dat principe later zelf toch eens heb toegepast en tot de conclusie kwam dat het klopte… Alle andere medische zaken die ik aan de univ heb geleerd, had ik overal elders óók kunnen leren, maar dat "trucje" van Heymans met de antihistaminica heb ik nergens elders teruggevonden.
En hiermee heb ik dan het onrecht dat ik professor Cornelius Heymans, nobelprijswinnaar, heb aangedaan, hopelijk althans ten dele hersteld.
In zijn laatste jaar als professor nam Heymans geen examen meer af. Die taak liet hij over aan professor Devleeschouwer die ook farmacodynamie onderwees, bij de apothekers.
Op de zolder van het huis in de Broekstraat, dat veel te groot is voor een bejaarde man alleen, onder het pannendak, staat ze nog steeds, de doos met het bedje van balatum, waarin mijn Tony rust. De doos staat er al achttien jaar ongeopend, sedert de dag waarop ik de foto heb genomen van Tony in zijn bedje, ten behoeve van mijn eerste blog, waar hij prijkt op de cover. Op pagina 377 van dat boek heb ik daar een kort hoofdstukje aan gewijd. Hier gaat het nogmaals:
Voor mijn Tony.
In een kartonnen doos op zolder staat een bedje van balatum en in dat
bedje ligt Tony, mijn dierbaarste vriendje uit mijn kleuterjaren. Een
broertje of een zusje heb ik nooit gehad, zelfs geen huisdiertje - de
haantjes Peetje en Sugar niet te na gesproken. Er was enkel... Tony.
Vandaag ben ik hem weer eens gaan groeten en ik heb hem een kusje
gegeven op zijn verhakkeld neusje. Aan hem heb ik het hiernavolgend
gedichtje gewijd (uit mijn dichtbundel "Er is geen god voor hondjes" -
requiem voor Bobby en drie dozijn kleine tedere liefdesgedichtjes -
2004):
Zestig jaar na datum
haal ik je weer
uit je bedje
van balatum.
Je petje staat
wat scheef
en je neusje
is geschaafd.
Je was mijn troost,
mijn toeverlaat.
Tony mijn, kom hier,
kom aan mijn hart,
ik ben weer vier.
Ik bid de Heer
dat als ik weldra
weg ben uit dit leven
er nog iemand wezen mag
die om jou zal geven.
- 17 oktober 2008 -
Met trillende handen maak ik de doos open. Hoe komt het toch, lieve Tony, dat ik jou al die tijd niet ben komen bezoeken? Iets, mij onbekend, moet mij ervan weerhouden hebben... Want denk maar niet dat jij al die tijd niet in mijn gedachten bent gebleven, en in mijn hart.
Er is iets waarover ik het al veel eerder met jou had willen hebben. Het is niet helemaal waar dat jij in mijn prilste kinderjaren mijn enig vriendje was. Er is ook Sonnie geweest en die zal jij je ook nog wel kunnen herinneren. Moeder had Sonnie gekocht in een speelgoedwinkel in Oudenaarde - jij was door Sinterklaas gebracht! - Sonnie was, helaas maar een kort leven beschoren, want amper enkele maanden nadat hij ons gezinnetje was komen verrijken is hij omgekomen in ons tuinhuisje dat toen is afgebrand. Van Sonnie bleef niets meer over. Ik herinner mij nog dat we, in die korte tijd dat we met zijn drietjes zijn geweest, heerlijk met elkaar konden spelen en dat we allebei verdrietig zijn geweest toen Sonnie van ons is heengegaan. Ik heb toen geweend, jij niet, want popjes wenen niet...
Moeder troostte mij: "Sonnie is nu hierboven, in de hemel, bij Onze-Lieve-Heer. Hij speelt daar met de engeltjes en hij eet daar rijstpap met gouden lepeltjes en van daaruit ziet hij jou en als jij een braaf jongetje bent is hij blij". Edoch... ik was wel een kleine kleuter, maar niet onnozel: Sonnie was voor altijd weg en wij hadden enkel nog elkaar en onze vriendschap werd er nog hechter door. Tot jij verhuisde naar die kartonnen doos op zolder, alwaar ik jou weer ontdekte op een dag in oktober van 't jaar 2008. Jij was geen zier veranderd. Ik wel. Die zelfde dag heb ik dat gedichtje geschreven. En daarna ben je weer uit mijn gezichtsveld verdwenen, tot op de dag van heden. Hoezeer voel ik mij nu schuldig. Ik neem je mee naar mijn slaapkamer alwaar we elkaar nu iedere dag kunnen zien. Ik zal je koesteren. Jij hebt immers al die tijd niemand gehad om van te houden. Ikzelf had mijn lief vrouwtje. Meer dan zestig jaar stond ze aan mijn zij. Vorig jaar op 15 mei heeft ze mij voor altijd verlaten. Onze-Lieve-Heer heeft haar tot zich geroepen en nu zit ze bij hem aan tafel en zit daar rijstpap te eten met gouden lepeltjes en leuke spelletjes te spelen met de engeltjes en ze ziet mij en ze volgt mijn doen en laten hier op aarde en ze is blij als ik een brave jongen ben. Edoch... ik ben wel een oude man, maar niet onnozel! Ach, kon ik haar nog maar een poosje bij mij hebben - ik zou er álles voor geven - een maandje of een jaar misschien, en wij dan samen weg...
Maar wat mij bezwaart: zal er dan nog iemand zijn om voor jou te zorgen, om van jou te houden, lieve Tony?
In de Onderstraat zijn twee brillenwinkels, op een speerworp van elkaar: Praet en Dresen. Ik heb een buurman die een bril heeft van Praet en daarmee best tevreden is. Ik stapte dus vol vertrouwen binnen bij Praet. Daar kost een multifocale bril honderdtachtig euro, of liever "vanaf honderdtachtig euro". Inderdaad zei de verkoper, want als je échte kwaliteit wil (verdund glas, krasvrij en zo...) ga je, montuur inbegrepen, al gauw in de richting van de duizend euro. Ik toonde hem mijn voorschrift. De complexiteit ervan leek hem erg te bevallen, hij becommentarieerde het met kennis van zaken, naar het mij voorkwam - hij moet zijn diploma van opticien op zijn minst behaald hebben met onderscheiding. Kortom, het was een kolfje naar de hand van Praet. Tevreden stapte ik met mijn offerte naar buiten, richting Dresen...
Bij Dresen hingen de muren vol brilmonturen met telkens het prijskaartje erbij, net als bij Praet overigens. Het viel mij op dat de kostprijs hier gemiddeld amper de helft bedroeg van die bij Praet, voor - ogenschijnlijk - dezelfde montuur. Een wondermooie vrouwspersoon kwam naar mij toe:
- Hallo, zei ze.
- Hallo, zei ik.
Ze lachte. Vanwege mijn onbeholpenheid, denk ik. Ze had alles van Bardot en ook iets van Margootje uit het liedje van Wim Sonneveld. Het leek of ze wilde zeggen, net als Margootje in het liedje: hier ben ik dan, wat kan ik voor je doen? Ze glimlachte alleen maar. Ik zei - er zat een trilling in mijn stem - dat ik kwam voor een bril.
- Dat dacht ik al, zei die lieve engel. Ze bezat die exacte dosis humor... Ik toonde haar mijn voorschrift en ze gaf mij ongeveer dezelfde uitleg als dewelke ik bij Praet al had gekregen. Dat denk ik toch, want haar woorden drongen niet echt tot mij door en dat was ook niet nodig. Ik genoot ten volle van haar stemgeluid. Ik was helemaal verkocht. Haar beeld vermengde zich met dat van B.B. met wie ik een leven lang gedweept heb en die ons onlangs in stilte voorgoed heeft verlaten en ik vroeg mij af of de schepper van dat goddelijk wezen dat daar voor mij zat, ook in dit geval nagelaten heeft om haar de eeuwige jeugd en de onsterfelijkheid mee te geven...
Ik vroeg hoe ze heette. Flora, zei ze, of dat was tenminste wat ik had begrepen. Ik maakte haar daar een compliment over, zei dat ik haar mooier vond dan de mooiste bloem. En ik zag - of stelde ik mij dat alleen maar voor? - dat ze een beetje bloosde. Eigenlijk, zei ze, heet ik Vlora, met een "V" en ze vertelde mij waar die naam vandaan kwam. Het leek wel of ze mij een geheim verklapte en dat ze het op prijs zou stellen dat ik dat geheim bewaarde. Dat doe ik dan ook, het blijft een geheim tussen ons beiden, tussen Vlora en mij.
Ik zei - al stond mijn besluit rotsvast - dat ik over haar offerte zou nadenken. Ik heb een nieuwe afspraak gemaakt, op dinsdag, om de montuur te kiezen en de zaak definitief te regelen. De maandag en de woensdag zijn de twee dagen in de week dat ze er niet is. Het voorschot bedraagt vijftig procent van de koopprijs...
Nu is ook mijn ander oog geopereerd. Zonder slag of stoot deze keer. Ik zie nu prima in de verte. Nog nooit in mijn leven zo scherp gezien. En dat op mijn zesentachtigste! Voor 't eerst in mijn leven kan ik vanuit de huiskamer zien op de kerktoren van Grijsloke hoe laat het is. Zonder bril! Ik beweeg mij nu veel veiliger in het verkeer en ik herken de mensen op straat al van ver. En de wereld heeft een ander fris kleurtje gekregen, van lichtgeel veranderd naar licht lila. Maar... zoals elke medaille heeft ook deze medaille een keerzijde: wat zich op minder dan een halve meter bevindt is wazig en een leesbrilletje is daartoe de enige remedie. Het lezen van de krant, het lezen van de bijsluiters, het bekijken van de prijzen in de warenhuizen... je bent afhankelijk van je leesbrilletje. Edoch, de techniek staat voor niets. Mijn oogarts heeft mij een bril voorgeschreven waarmee ik zo mogelijk nog iets beter zal kunnen zien in de verte en tegelijkertijd ruim voldoende zal kunnen zien in mijn "strafschopgebied" van vijftig centimeter om mijn krant te lezen en vlot te werken met mijn laptop. Een multifocale bril, ter vervanging van de bril die ik vanwege mijn "gewezen" bijziendheid al draag van toen ik een jaar of tien was. Een nieuwe bril zou ik mij so wie so tóch weer aangeschaft hebben, want zonder bril herken ik mijzelf niet meer in de spiegel: mét bril vond ik mezelf al niet moeders mooiste, maar zonder bril lijkt het mij helemaal mis. Ook al vanwege die wallen onder mijn ogen, die achter een flinke brilmontuur vrijwel totaal onzichtbaar zijn. Aan mijn oogarts had ik willen vragen of hij misschien een ander middeltje kende om die wallen enigszins te camoufleren. En waarom ik het niet gedurfd heb? Het viel mij plots op dat die oogwallen van hem nog véél meer uitgesproken zijn dan die van mij. En dat helpt mij om mij met mijn wallen te verzoenen. Ik begin eraan gewoon te raken. Ik vind het nu nog slechts "walletjes" en het doet mij denken aan de walletjes van Amsterdam, uit de tijd toen ik in Nederland gewoond heb.
Ik heb het verhaal verteld aan Joke, mijn apotheker. Ze stak mij een monstertje van een zalf in de handen. Probeer dat eens, zei ze, het helpt goed. Maar het hoeft niet meer, ik begin mijn wallen te koesteren, ik wil ze niet meer kwijt, ze geven mij een geleerd en tegelijkertijd zachtmoedig uitzicht. Jammer dat ze achter mijn nieuwe bril nog nauwelijks te zien zullen zijn. Ja, die nieuwe bril... morgen ga ik met het voorschrift van de oogarts naar de opticien. Het wordt een dure bril, en de prijzen zijn niet bij alle opticiens dezelfde. Men heeft mij de raad gegeven eerst een offerte te vragen bij meer dan één opticien zodat ik kan vergelijken. Morgen ga ik dus op pad. Ik hou u op de hoogte...
Of ik nu al dan niet behoor tot het heilig Westvlaamse ras doet wellicht niet bijster veel ter zake. Niettemin wil ik gaarne met u enkele pro's en contra's in ogenschouw nemen.
Ik ben geboren op vier juni van het onzalig jaar negentienhonderdveertig, in volle Blitzkrieg. Mijn moeder was voor het oorlogsgeweld uit haar huis in Oostvlaanderen gevlucht en ze baarde mij in het Westvlaamse Anzegem. Een dag later keerde ze met mij naar huis terug. Ik ben welgeteld één dag Westvlaming geweest en de enige plaats die op mijn eerste identiteitskaart vermeld stond was mijn geboorteplaats Anzegem. Ik ben dus een "geboren" Westvlaming en dat feit heeft een doorslaggevende rol gespeeld in mijn verder leven. Ik heb het eraan te danken dat ik mijn doktersdiploma behaald heb. Hoe dat in zijn werk gegaan is heb ik zeer precies en in geuren en kleuren uit de doeken gedaan in mijn boek "O jerum jerum jerum" de dato 2006.
Als Vlaming vorm ik "uiteraard" mijn "g" vooraan in de mond, dat klinkt zachter en minder schrapend dan de harde "g" van de Nederlanders van boven de Moerdijk, dewelke achter in de keel gevormd wordt. Terloops weze vermeld dat de zachte Vlaamse "g" heden ten dage door de hooggeplaatste taalkundige instanties wordt aanvaard als zijnde evenwaardig aan de harde Hollandse "g", en dat is in het verleden niet altijd het geval geweest. Wéstvlamingen doen het evenwel nog een stapje zachter, zij spreken hun "g" uit als "h". Zo hebben zij het over de "hé-plek", om maar een voorbeeld te noemen. En omdat ik op die memorabele dag - waarvan sprake in mijn boek uit 2006 - mijn eigen naam niet zoals het een échte Westvlaming betaamt, als "Vansteenbruhhe" heb uitgesproken, was het nog bijna misgelopen...
Het ouderlijk huis bevond - en bevindt zich nog steeds - aan de Broekstraat, aan de rechterkant van de straat als men zich in de richting van de de kerk van Grijsloke begeeft. Die straat vormt de grens tussen West- en Oostvlaanderen: rechtertkant is Oostvlaanderen, de linker is Westvlaanderen. Ik woon er nu al zesentachtig jaar. Als kind schepte ik er genoegen in om vanuit het zoldervenster op de tweede verdieping de vier kerktorens te bewonderen, die een grote rol in mijn leven zouden spelen. Ze lagen alle vier binnen een straal van hooguit twee kilometer, netjes verdeeld over de vier windstreken: Anzegem in het Westen, Grijsloke in het Noorden, Kaster in het Zuiden, Elsegem in het Oosten. In de kerk van Anzegem ben ik gedoopt, in Grijsloke heb ik mijn eerste communie gedaan alsook mijn eerste drie lagere schooljaren, in Kaster mijn plechtige communie en mijn laatste drie lagere schooljaren en in mijn vierentwintigste levensjaar werd mij in de kerk van Elsegem het heilig sacrament van het huwelijk toegediend - enkel Elsegem behoorde tot Oostvlaanderen - de middelbare school heb ik doorlopen in twee Westvlaamse gemeenten, Waregem en Oostende... Was ik dan toch niet "een beetje" Westvlaming en was ik dan echt zo frauduleus bezig toen ik professor Devleeschouwer liet geloven dat ik een volbloed Westvlaming was en zo de toekomst naar mijn hand zette?
Die "superzachte g" van de Westvlaming klinkt zoals een "h"en waar een "h" staat knijpt die Westvlaming een oogje dicht en hij zal u gaarne uitleggen waarom "eel ohe bomen" veel meer wind vangen dan hun laagstammige soortgenoten. Laten wij dan ook maar een oogje dichtknijpen voor die taalonkundigheid: het zal de invloed zijn van de zuiderburen die de "h" nooit ofte nimmer uitspreken. Wist u overigens, lieve lezer, dat ook de Hollanders die "h" wel eens onuitgesproken durven laten, meer bepaald in sommige korte woordjes "het", "hij", "hem", "hen", "hun" en dat ze dat zichzelf niet als foutief aanrekenen. En aan dit betoog dient nog toegevoegd dat de brave Westvlaming zich maar al te goed bewust is van het feit dat in de Nederlandse taal, die toch de zijne is, de "h" wel degelijk dient uitgesproken te worden. Vaak doet hij dan zodanig zijn best dat zijn inspanning haar doel voorbijschiet, hetgeen uitmondt in een harde Haagse "g": geel hoed !
Is het vanwege mijn aardse gebondenheid dat mijn leven in het teken gestaan heeft van die superzachte "g"?
- Geneeskunde is wat ik gestudeerd heb. Tot mijn grote voldoening...
- Gent is de plaats waar ik als student de mooiste jaren van mijn leven - mijn jeugdjaren! - heb doorgebracht. Zeven jaar ben ik er op kot geweest en het is de stad van mijn dromen geworden. Als senior seniorum, zijnde de preses van het seniorenkonvent dat alle studentikoze organisaties overkoepelt, heb ik er tijdens het academiejaar 1963-64 de...
- ... Gravensteenfeesten georganiseerd, het groots studentenfeest waarbij telkenjare de geweldigste studentengrap aller tijden wordt herdacht, zijnde de bezetting van het Gravensteen, de beroemde Gentse burcht. Tot diep in mijn zeventiger jaren ben ik die feesten blijven bijwonen.
- "Dwars door Grijsloke" is aan mijn brein ontsproten in 1980: Vlaanderens mooiste loopkoers in het kleine dorp dat ooit Vlaanderens kleinste zelfstandige gemeente was (amper 78 hectare groot). Voor duizenden een bron van sportieve levensvreugde geweest, maar helaas ter ziele gegaan na tweeënveertig afleveringen.
- En Griekenland. Ik heb er mijn eerste maraton gelopen, de authentieke maraton, van Marathon naar Athene, het begin van een nog vrij goed gevulde maratoncarrière en van een liefde voor dit mooie land dat ik dertig jaar lang minstens één keer per jaar bezocht heb. De Griekse mythologie fascineerde mij en ik ging er boeken en toneelstukken over schrijven en her en der ging ik voordrachten houden over die antieke Griekse cultuur en haar goden...
En onze eigen God? In hém heb ik niet geloofd. Mijn lief vrouwtje zaliger had nochtans veel vertrouwen in hem, ze beminde hem zeer. Die liefde was, jammer genoeg, niet wederkerig...
De foto die hierboven prijkt en die ik een dezer dagen op mijn facebookpagina heb geplaatst heeft voor nogal wat commotie gezorgd, alvast bij ene S.H., van wie ik hier enkel de initialen prijsgeef, omdat S.H. de bekendheid schuwt als de pest. Hij vraagt zich af of het hier, met betrekking tot de foto gaat om een verregaande vorm van zelfverering dan wel om een onvervulde wens om vitrailkunstenaar te worden.
Op de foto sta ikzelf afgebeeld met zonnebril. Het heeft te maken met cataractoperatie aan beide ogen en de "vitrail-stijl" (glas-in-lood) heeft te maken met mijn buurvrouw Margootje die mij onlangs heeft willen inwijden in de edele glazenierskunst, poging die vanwege mijn twee linkerhanden min of meer op een sisser is uitgelopen. Ik had nog voorgesteld om onze krachten te bundelen - zij vitrail en ik een passend gedichtje genre haiku - hetgeen zou dienen uit te monden in een nieuwe kunstvorm "vitraiku", zoals tien jaar geleden de "piktaiku" (picture + haiku) is ontstaan. Maar ook daar zal wellicht niets van in huis komen: Margootje heeft het erg druk in haar hoofdberoep, als dierenpsychologe...
Wat betreft die "verregaande vorm van zelfverering", ik denk dat S.H. hier de nagel op de kop slaat. Je zou het ook narcisme kunnen noemen: een begrip dat we ook kunnen omschrijven als "eigenliefde" en dat zijn oorsprong vindt in de Griekse mythologie.
Omdat de jongeling Narkissos niet inging op de toenaderingspogingen van de nimf Echo, vervloekte ze hem en ze verzocht de goden haar aanbedene enkel maar verliefd te laten worden op zichzelf. Toen de jongeling even later zijn spiegelbeeld zag in het wateroppervlak van een meer ging Echo's bede in vervulling: in vervoering bleef Narcissos zitten staren naar zijn eigen spiegelbeeld, onbeweeglijk als aan de grond verankerd, tot hij uiteindelijk veranderde in een bloem, de narcis...
Dat S.H. aan mijn verregaande vorm van zelfverering misschien wel aanstoot neemt mag geen verwondering wekken. Hijzelf, die wars is van alles wat maar enigszins naar zelfverering ruikt, die de media schuwt als de pest, mag gerekend worden tot de helderste geesten die ons aardbolletje rijk is. Heeft hij immers niet - schrik niet lieve lezer - het "perpetuum mobile" uitgevonden, waar de grootste geleerden van de wereld al zovele eeuwen tevergeefs naar op zoek zijn? Dat S.H. zijn uitvinding (nog) niet wereldkundig heeft gemaakt heeft niet enkel te maken met zijn onaardse bescheidenheid, maar ook met het feit dat hij niet over de financiële middelen beschikt om het patent op die uitvinding aan te vragen...
Ik meldde mij aan in het AZ van mijn provinciestad. Aan de receptie werd mij gevraagd of ik een éénpersoonskamer wenste, dan wel een meerpersoonskamer. Of dat ertoe deed? - ik hoefde eigenlijk geen kamer, men had mij gezegd dat ik een uurtje na de ingreep al naar huis zou mogen - Toch wel, want bij een éénpersoonskamer mag er een supplement aangerekend worden voor de kamer en mag voor de operatie eveneens een supplement aangerekend worden. Dat supplement is meestal egaal aan de normale kostprijs van de operatie en is logischerwijze niet terugbetaalbaar door het ziekenfonds tenzij de patiënt daar een speciale hospitalisatieverzekering voor heeft. Ik had die speciale verzekering niet en het werd een meerpersoonskamer. Ik werd naar de wachtkamer in het operatiekwartier gebracht en daar kreeg ik het bezoek van een rijzige jongeman in een groen operatiekostuum. Ik dacht dat het dokter V. was, de chirurg die mijn oog zou opereren, maar het bleek dokter S. te zijn, de anestesist. Nu ken ik toevallig een dokter die de zoon is van een gelijknamige voormalige voetbalkeeper van AA Gent, niet zomaar een keeper, maar één die jarenlang de trots is geweest van het nationaal voetbalelftal. Ik vroeg of er misschien enige verwantschap bestond maar hij bleek nog nooit van die keeper gehoord te hebben - sic transit gloria mundi... Hoe dokter S te weten was gekomen dat ik óók dokter was weet ik niet, hij sprak mij in ieder geval aan met "collega", en dat de ingreep onder locale verdoving zou gebeuren en dat ik wel van alles zou voelen, maar géén pijn, en als ik toch pijn mocht voelen, dan gaf ik maar een gil...
Pas toen ik op de operatietafel lag maakte ik voor het eerst kennis met dokter V. Een vriendelijke man van middelbare leeftijd. Hij zag er OK uit, gelukkig maar. Uit de manier waarop hij mij bemoedigend toesprak meende ik te mogen concluderen dat hij niet wist dat we collega's waren en achteraf gezien leek mij dat nog wel het beste. Luister maar...
Mijn gezicht werd afgedekt en mijn te opereren oog - het rechter - werd vakkundig afgeplakt en een oogsperder werd aangebracht. Het spektakel kon beginnen. Een kleurig spektakel, een voortdurend voorbijschieten van helle kleurrijke lichtflitsen, een geknars van mijn vertroebelde ooglens die eerst in stukjes diende geknabbeld te worden en daarna opgezogen. Van alles gevoeld, maar geen ziertje pijn. Ik begon dat hele gedoe waarachtig leuk te vinden. De oude lens, die mij zesentachtig jaar dienst had bewezen was er uit, de nieuwe kon ingebracht worden...
- In deze lens zit een scheur, hoorde ik dokter V. zeggen tegen de assistente, geef die andere maar.
- Er is geen andere, zei de assistente.
- Ga die dan halen naar de apotheek;
... en even later...
- Daar ook niet...
- Dan moeten we de firma opbellen.
Mijn God, zo dacht ik, misschien moet die lens nu wel uit het buitenland komen, over te brengen per helikopter...
Mijn oogsperder en de afdekdoeken werden verwijderd, ik mocht van de operatietafel af en weer plaats nemen in de wachtkamer. Straks doen we verder, zei dokter V., als de nieuwe lens er is. Ik zag nu zo goed als niets meer met dat rechter oog. Toch was ik, vreemd genoeg, allerminst in paniek. Je zou kunnen zeggen dat ik gelaten mijn lot droeg. Ik bekommerde mij haast meer om dokter V. die nu wel erg verveeld moest zitten met dit ongelukkig toeval en ik hoopte maar dat hij niet wist dat we collega's waren...
Ik zat amper een kwartier in de wachtkamer toen een lief verpleegstertje mij kwam zeggen dat de nieuwe lens over een twintigtal minuutjes ter plaatse zou zijn. Oef! Maar toen die twintig minuutjes om waren kwam dokter V. mij persoonlijk het "goede nieuws" melden, dat de nieuwe lens onderweg was en wellicht binnen het uur zou arriveren... Het duurde uiteindelijk maar een half uur meer. Ik mocht terug op de operatietafel en na weer de nodige voorbereidingen kon de operatie voortgezet worden. En toen... werd alles plots pikdonker; de elektriciteit was uitgevallen! Hemeltje lief, zo dacht ik, nu moet er wellicht nog een elektrieker opgetrommeld worden... Maar zo'n vaart liep het niet, een paar minuutjes later was er weer licht en functioneerde de apparatuur opnieuw. En nog een paar minuutjes later zat de nieuwe lens al in mijn oog, de operatie was afgelopen. Ik vroeg nu aan dokter V. of de operatie uiteindelijk goed gelukt was en of ik mocht hopen op een goed resultaat. Hij knikte zeer enthousiast van "ja".
Ik zie nu met het rechter oog in de verte zo scherp als ik nog nooit eerder gezien heb. Over veertien dagen zal ik mijn ander oog zonder schroom toevertrouwen aan dokter V: hij is een bewaam chirurg. En als er al iemand schuld heeft aan de oneffenheden die op mijn parcours hebben gelegen, geen nood, het gebeurt dáár geen tweede keer. Als een ezel zich al geen tweemaal stoot aan dezelfde steen...
Vorig jaar, 't was op een lentedag, de dag dat Hades, de god van de onderwereld, Persephone terugbracht naar haar moeder... Die dag heeft hij mijn geliefde meegenomen...
Lieve Hades, allervoortreffelijkste god van de onderwereld, als gij weldra Persephone weer naar de aarde brengt, breng dan alstublieft ook mijn geliefde mee en laat ons nog één enkele zomer saâm gelukkig zijn. En als dat niet gaat, neem mijzelve dan maar mee naar uw donkere woonst, want zonder haar kan ik hier op aarde niet meer aarden...
(klik op foto om te vergroten)
Demeter, Hades en Persephone
(uit mijn boek "De Griekse mythologie in 136 verhalen")
Demeter was een van de drie zusters van Zeus. Nog voor Zeus in het huwelijk trad met zijn jongste zuster Hera, had hij betrekking gehad met Demeter. Deze bracht een dochter ter wereld, Persephone. Later werd Hades, de god van de onderwereld, verliefd op het meisje, en hij vroeg Zeus met haar te mogen huwen. Zeus durfde zijn oudere broer geen afwijzend antwoord geven, maar anderzijds durfde hij zich de woede van zijn zuster Demeter niet op de hals halen. Het lag natuurlijk in de bedoeling van Hades om Persephone mee te nemen naar de onderwereld, om er samen met hem te regeren over de doden. Demeter was al te zeer aan haar dochter gehecht. Zeus probeerde zich uit de slag te trekken met: ik zeg niet ja, ik zeg niet nee... Hades interpreteerde dit antwoord als zijnde positief en op een zomerse dag ontvoerde hij het meisje met geweld, toen zij wandelde op een weide in de buurt van de stad Eleusis – al zou dat op vele andere plaatsen kunnen gebeurd zijn, als men er verschillende schrijvers op naleest. Demeter was uitzinnig van verdriet. Dolend liep ze door de velden op zoek naar haar dochter. Negen dagen lang weigerde ze te eten en te drinken. De tiende dag zocht ze onderdak bij de koning van Eleusis. ’s Konings zoon, Triptolemos, had vernomen dat op een naburige weide een meisje was geschaakt door een geweldenaar in een door vurige zwarte paarden getrokken wagen. Daarna was de aarde opengescheurd en had het hele gespan verzwolgen. Toen Triptolemos dit verhaal vertelde, rees bij Demeter reeds het zwaar vermoeden dat Hades de hand had in de hele affaire. Ze ontbood Hermes en vroeg hem haar naar Helios te brengen. Helios is de zonnegod, de zoon van de titaan Hyperion en de titanes Theia. Helios ziet álles en tegenover Demeter verklaarde hij dat haar dochter inderdaad door Hades was geroofd. Demeter eiste nu een onderhoud met Zeus: hij moest er maar voor zorgen dat ze haar dochter terugkreeg. Zeus wendde al zijn diplomatie aan bij Hades. Helaas! Ze had reeds van de granaatappel gegeten die de terugkeer uit het rijk der doden in principe onmogelijk maakt. Het zag er naar uit dat Demeter het verlies van haar dochter nooit te boven zou komen. Haar droefheid was eindeloos, en met haar treurde de hele natuur. De gewassen groeiden niet meer, alles verdorde. Zo kon het niet blijven duren. Zeus ging nog eens serieus praten met Hades en uiteindelijk werd er een compromis bereikt. Persephone zou een deel van het jaar bij haar moeder mogen doorbrengen, doch het andere deel van het jaar moest zij doorbrengen in de onderwereld aan de zijde van Hades, haar gemaal. Groot was de vreugde van Demeter bij het weerzien van haar dochter. De natuur leefde weer helemaal op, alles werd weer groen: ’t was lente. Maar onverbiddelijk kwam telkenjare de dag dat Persephone weer naar de onderwereld moest terugkeren: dat was op het einde van de zomer. Nu kwam er weer droefenis over Demeter en over de aardse gewassen die zij onder haar hoede had genomen. De natuur maakte zich op voor een sombere en dorre winter, die duurde tot de terugkeer van Persephone, tot de lente weer in ’t land kwam. Dit mythologisch verhaal ligt aan de basis van de Eleusinische mysteriën, die eeuwenlang gevierd werden in het oude Griekenland. Het waren geheimzinnige en uitbundige feesten, die in het teken stonden van de eeuwigdurende cyclus van leven en dood in de natuur en waarbij de jonge meisjes en knapen ingewijd werden in de mysteries van het leven. In Eleusis kan men heden ten dage de ruïnes bezoeken van dit heiligdom van Demeter. Daar ligt ook het hol van Pluto (latijnse naam van Hades), zijnde een hol in een rots, waarlangs Persephone van de aarde verdween in de grijpgrage armen van de god van de onderwereld. Nog dit. Demeter was dankbaar tegenover prins Triptolemos omdat hij haar de nuttige tip had gegeven die tot de ontvoerder van haar dochter had geleid. Ze leerde hem de kunst van de akkerbouw. Dank zij Triptolemos heeft die kunst zich daarna verspreid over de mensheid.
Deze morgen stak er geen krant in mijn brievenbus. Ik belde mijn buurman Firmin op: of ook hij de krant niet had ontvangen. 't Is vandaag Paasmaandag, zei Firmin, en dan zijn er geen kranten. Paasmaandag! Dan is het dus gisteren Pasen geweest, de dag waarop we herdenken dat onze almachtige en barmhartige mensgeworden god uit zijn graf is opgestaan en ten hemel opgestegen. Dat was mij dus helemaal ontgaan. Ben ik nog wel van deze wereld? Ik weet nog waar ik 't vorig jaar was op die eerste Paasdag. Samen met mijn geliefde zat ik in de tuin op een bank in de voorjaarszon. Ze was terminaal ziek. Ik had haar die morgen een zalige Pasen gewenst. Ze had flauwtjes geglimlacht en ... 't zal mijn laatste Pasen zijn, had ze gezegd. Ik durfde haar niet eens tegenspreken want ik wist dat ze gelijk had. Een maand later is zij heengegaan. En op heden zit ik hier, alleen, op die zelfde bank in de zon, en ik ween zachtjes.
Mijn nieuwste boek (Uit het schuim van de zee, 2011) behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen (408 pag.) en 18 originele tekeningen. Het is nu reeds aan zijn derde druk toe. Het boek is te bestellen via mail (kvansteenbrugge@gmail.com). Betaling na ontvangst (18,95 euro). Bij bestellingen vóór 1 mei dienen geen verzendkosten betaald te worden.